ARBITRAAL VONNIS

In de zaak van:

[curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [leverancier],

gevestigd te [plaats],

eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: [gemachtigde leverancier],

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [klant], gevestigd te [plaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: [gemachtigde klant],

heeft de arbiter, [arbiter], wonende te [woonplaats],

het volgende arbitraal vonnis gewezen.

Zo in conventie als in reconventie:

Procedure

1.1 [Leverancier] heeft bij Inleidend Verzoek van [datum], dat is vergezeld van 3 genummerde producties, deze arbitrage aanhangig gemaakt. Bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te [plaats] d.d. [datum] is [leverancier] in staat van faillissement verklaard met benoeming van [curator] tot curator. De curator heeft het geding voortgezet. In het hiernavolgende zal de eiser in conventie tevens als verweerder in reconventie evenals [leverancier] mede worden aangeduid als [leverancier].

1.2 [Klant] heeft op 7 augustus 2001 en Kort Antwoord ingezonden. Zij zal in het navolgende als gedaagde in conventie en tevens als eiseres in reconventie mede worden aangeduid als [klant].

1.3 Het bestuur van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering heeft naar aanleiding van het verzoek van partijen de arbiter benoemd, die zijn benoeming schriftelijk heeft aanvaard.

1.4 [Leverancier] heeft op een Memorie van Eis ingediend, waarbij 8 genummerde producties zijn gevoegd. Zij heeft hierbij in conventie gevorderd [klant] te veroordelen tot betaling van NLG 76.406,09 aan hoofdsom met de rente daarover ad 1,5% per maand, alsmede NLG 11.460,90 aan incassokosten met de BTW over laatstgenoemd bedrag ad NLG 2.177,57 en pro memorie de kosten van een ten gunste van [leverancier] gelegd conservatoir beslag.

1.5 [Klant] heeft onder overlegging van 4 producties op 4 juli 2002 in conventie voor antwoord geconcludeerd de vordering van [leverancier] af te wijzen en zij heeft in reconventie gevorderd te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst strekkende tot het vervaardigen en leveren van software, nietig dan wel rechtsgeldig ontbonden is en voorts [leverancier] te veroordelen om aan [klant] te voldoen het bedrag van NLG 267.968,91 dan wel een zodanig bedrag als de arbiter in goede

justitie zal vaststellen met veroordeling tevens zo in conventie als in reconventie van [leverancier] in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde van [klant] daaronder begrepen.

1.6 [Leverancier] heeft vervolgens op 25 juli 2002 een Memorie van Antwoord in reconventie genomen met als conclusie de vorderingen van [klant] af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van deze procedure.

1.7 Op 9 oktober 2002 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij namens [leverancier] aanwezig waren [curator] en [A] en [B], beiden directeur van [leverancier]. Aan de zijde van [klant] waren aanwezig haar gemachtigde, [gemachtigde klant], en [K], als systeembeheerder in dienstbetrekking werkzaam bij [klant], alsmede [L], adviseur van [klant]. [Leverancier] heeft bij deze gelegenheid nog een productie overgelegd.

Bevoegdheid arbiter

2.1 Tussen partijen is in confesso, dat op één c.q. meerdere tussen partijen gesloten overeenkomsten, waar dit geding betrekking op heeft, de Algemene Leveranciersvoorwaarden van [leverancier] van toepassing zijn. In deze voorwaarden is een arbitraal beding opgenomen, inhoudende dat geschillen zullen worden beslecht overeenkomstig het Arbitragereglement van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering. Nu beide partijen de geldigheid van dit beding niet hebben betwist, is de arbiter bevoegd het onderhavige geschil te beoordelen en ter zake een beslissing te geven.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, c.q. op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties en de mededelingen van partijen ter zitting, ten processe het volgende vast.

3.1 [Leverancier] drijft een onderneming, welke standaard (basispakket) software in de handel brengt en software ontwikkelt o.a, voor de export branche van sierteelt. Zij levert daartoe het systeem [product 1]. [Klant] is een exporteur van planten en bloemen, die medio 1999 nieuwe software voor haar onderneming wenste aan te schaffen ter vervanging van een alstoen goed functionerend pakket dat onder DOS draaide en niet millenniumproef was. [Klant] wilde “een vergelijkbaar pakket wat dat wel is” (offerte [leverancier] d.d. 3 juli 1999).

3.2 Na een door [leverancier] bij [klant] gedane inventarisatie heeft [leverancier] bij brief van 3 juli 1999 aan [klant] een indicatieve offerte uitgebracht voor een aantal basismodules ad in totaal NLG 28.000,- (ex BTW) en maatwerk op nacalculatiebasis ad NLG 150,- per uur, terwijl [klant] er op werd gewezen, dat er “een behoorlijke investering aan de hardware kant” nodig zou zijn. De geschatte doorlooptijd voor het project was volgens de offerte 3-4 maanden.

3.3 Alvorens door [klant] de opdracht naar aanleiding van deze offerte werd verleend, is aan haar adviseurs [L] en [M] een basismodule op een stand-alone PC ter beschikking gesteld teneinde de beoordeling van het systeem door de klant te vergemakkelijken.

3.4 In de periode van augustus 1999 tot einde maart 2001 zijn door [klant] aan [leverancier] diverse opdrachten voor maatwerk en opleiding verleend, terwijl de aankoop van de basismodules en bovendien de aanschaf van verschillende hardware producten door [klant] heeft plaatsgevonden.

3.5 Bij de uitvoering van het project is vertraging ontstaan. Op 28 november 2000 heeft [klant] [leverancier] in gebreke gesteld, doch bij fax van 27 december 2000 heeft [klant] zich akkoord verklaard

met nadere voorstellen van [leverancier] d.d. 21 december 2000, welke onder meer inhouden een betaling door [klant] van posten betreffende hardware, opleiding en software ad respectievelijk NLG 15.068,09 en NLG 35.932,57 en een vaste prijs ad NLG 25.000,- (ex BTW) “voor de nog te bouwen functies”.

Vervolgens hebben er in de maanden februari en maart 200 I diverse bijeenkomsten plaatsgevonden van het team, dat het project begeleidde, welk team bestond uit vertegenwoordigers van [leverancier] en van [klant] inclusief de adviseur van [klant], [L]. Hieruit blijkt, dat de werkzaamheden in die periode door beide partijen zijn voortgezet. Tevens zijn in de maanden februari en maart 2001 diverse functionele ontwerpen met betrekking tot maatwerkopdrachten gereed gekomen.

3.6 Per ultimo maart 2001 had [klant] ter zake van het onderhavige project NLG 267.968,91 (incl. BTW) aan [leverancier] voldaan. Hierboven heeft [leverancier] nog voor een bedrag van NLG 76.406,09 (incI. BTW) aan [klant] gefactureerd, welk bedrag [klant] onbetaald heeft gelaten.

3.7 Omstreeks einde maart 2001 heeft [leverancier] haar werkzaamheden gestaakt. Op dat moment moesten het Management Informatie Systeem en de Exactkoppeling (export facturen) nog worden geleverd. [Klant] heeft bij brief van haar raadsman d.d. 9 juli 2001 de overeenkomst( en) ontbonden.

De vorderingen van [leverancier]

[Leverancier] baseert haar vorderingen op de bovengenoemde ten processe vaststaande feiten en voorts op de stelling, dat de openstaande factuurbedragen betrekking hebben op door [klant] opgedragen en correct uitgevoerde werkzaamheden, zodat daarvan betaling moet volgen.

Het standpunt van [klant]

[Klant] heeft de bovengenoemde sub. 4 geponeerde stelling gemotiveerd betwist. Zij heeft bovendien aangevoerd (zakelijk weergegeven):

5.1 [Leverancier] heeft zich niet aan de overeengekomen tijdsplanning gehouden, aangezien het project met een geoffreerde doorlooptijd van 3-4 maanden en begonnen in augustus 1999 einde maart 2001 nog niet was afgerond.

5.2 De kostenoverschrijding van het op grond van de offerte te verwachten bedrag is buiten iedere proportie, aangezien [klant] mocht verwachten, dat het door [leverancier] geoffreerde basispakket ad NLG 28.000,- 80% van de kosten van de automatiseringsbehoefte van [klant] zou dekken.

5.3 Op grond van de hierboven in deze paragraaf weergegeven stellingen vordert [klant] vernietiging van de overeenkomst(en) tussen partijen wegens bedrog c.q. misbruik van omstandigheden, subsidiair ontbinding op grond van wanprestatie met restitutie van de door [klant] ter zake betaalde bedragen.

Beoordeling van het geschil

6.1 De vertraging

De offerte, waarop de tussen partijen gesloten overeenkomsten zijn gebaseerd, geeft ondubbelzinnig aan, dat [klant] medio 1999 over een goed werkend DOS pakket beschikte, dat niet millenniumproef was, terwijl [leverancier] een nieuw pakket offreerde met een “doorlooptijd” voor de bouw van 3-4 maanden. Deze tijdsspanne is in aanzienlijke mate overschreden. Hieruit zou een toerekenbare tekortkoming van [leverancier] kunnen blijken. [Leverancier] geeft in de Memorie van Eis ook aan “enigszins begrip te kunnen opbrengen voor de bezwaren van [klant] voor wat betreft de tijdsplanning”. Het staat vast, dat [klant] einde november 2000 [leverancier] dienaangaande in gebreke heeft gesteld, maar dat zij vervolgens op 27 december 2000 een nieuw voorstel c.q. aanbod van [leverancier] d.d. 21 december 2000

heeft aanvaard, aan de uitvoering waarvan zij – het is hierboven sub 3.5 gereleveerd – zonder enige reserve medewerking heeft verleend. De gestelde vertraging kan daarom in casu geen reden zijn tot ontbinding van de overeenkomsten tussen partij en nu de vertraging tot in het eerste kwartaal van 2001 door [klant] kennelijk is geaccepteerd. Voor de vertraging nadien is geen ingebrekestelling gevolgd, waarop een ontbinding van de overeenkomsten kan worden gebaseerd.

6.2 De prijs van het product

Partijen twisten over de vraag of de aangeboden basismodules onvoldoende functionaliteiten zouden bieden, zodat veel meerwerk nodig is om tot een voor [klant] bevredigende aanpassing te komen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet, dat de – uiteindelijk – opgeleverde producten van basismodules en maatwerk onvoldoende van kwaliteit zijn. Wel stelt [klant] dat ten aanzien van de omvang van het maatwerk c.q. de bij het maatwerk in totaal behorende prijsstelling [klant] er van mocht uitgaan, dat de aangeboden basismodules van het [product 1] 80% van haar behoefte zou dekken. Dit blijkt echter niet uit de offerte. Ook kan niet worden gezegd, dat er een algemene regel bestaat op grond waarvan [klant] zou mogen verwachten dat het benodigde maatwerk een investering van ongeveer 20% van de prijs van de basismodules zou bedragen. Deze verhouding zal van geval tot geval variëren met name vanwege de (extra) complexiteit van het gevraagde maatwerk.

6.3 Informatie- en onderzoeksplichten

[Klant] verwijt [leverancier] haar door het verstrekken van valse inlichtingen tot het aangaan van de overeenkomsten te hebben bewogen. De gestelde en gebleken feiten kunnen deze conclusie niet dragen. Immers [klant] heeft het gehele traject – van de offertefase af aan – door haar adviseur [L] doen begeleiden. Laatstgenoemde moge dan vooral logistiek adviseur zijn, maar voor de automatiseringskennis is – in ieder geval in de aanvangsfase – de door [klant] ingeschakelde [M] kunnen beoordelen en daarbij een indruk kunnen krijgen van de kwaliteit daarvan mede met het oog op de omvang van het maatwerktraject dat nodig zou zijn. Tenslotte heeft [klant] ondanks de tegenvallende resultaten gedurende 1999 en 2000 toch in december 2000 een nadere opdracht gegeven om met het project verder te gaan. Aan [klant] zijn daarmee voldoende mogelijkheden geboden de door [leverancier] aangeboden prestatie te controleren. Een voor het eerst in 2002 gedaan beroep op bedrog kan daarom niet opgaan. Met dit laatste punt hangt samen, dat het (dreigen met het) stoppen van de werkzaamheden door [leverancier] toen betaling van op zich niet betwiste facturen ook voor hardware en opleiding uitbleef, niet als misbruik van omstandigheden kan worden opgevat. Een zodanige gedragslijn past bij de normale gang van zaken bij het inroepen van een opschortingsrecht.

6.4 Nakoming versus vernietiging c.q. ontbinding

De voor [klant] tegenvallende resultaten van dit project kunnen blijkens het bovenstaande voor de periode tot einde 2000 niet door middel van bedrog (valse inlichtingen) of misbruik van omstandigheden tot vernietiging van de overeenkomsten leiden. Ook is tot dat tijdstip geen sprake van het niet honoreren van opgewekte verwachtingen nu [klant] het nieuwe voorstel van [leverancier] d.d. 21 december 2000 heeft geaccepteerd. Dit betekent, dat [klant] tot volledige nakoming is verplicht van hetgeen in de brief van 21 december 2000 is omschreven, d.w.z. ook met betrekking tot de nog niet betaalde factuur nr. 94747 ad NLG 29.375,- (incl. BTW). Bovendien zal zij wegens haar akkoordverklaring met de voortzetting van de werkzaamheden de facturen ms. 100233 (5-2-01), 100554 (22-3-01), 100569 (23-3-01), 100601 (29-3-01) en 100663 (6-4-01), die betrekking hebben op hardware leveranties en opleidingen ad in totaal NLG 9.861,41 (incl. BTW) moeten betalen. Het ligt anders ten aanzien van de maatwerkfacturen nrs. 100429 (5-3-01), 100465 (13-3-01), 100539 (19-3-01), 100665 (6-4-01), 100667 (6-4-01), 100669 (6-4-01), 100734 (23-4-01), 100735 (23-4-01), 100738 (23-4-01) en 100791 (30-4-01). [Klant] mocht immers uit het aanbod van [leverancier] d.d. 21 december 2000 opmaken, dat “de vaste prijs voor de n08f7ffl te bouwen functies (ex BTW)” NLG 25.000,- zou bedragen. Ook gelet op de voorgeschiedenis kan [leverancier] na 21 december 2000 niet meer aan [klant] in rekening brengen, aangezien het Management Informatie Systeem en de Exactkoppeling (export facturen) kennelijk tot het door partijen bedoelde

project behoren. De verplichting van [klant] ten aanzien van het maatwerk gaat daarom niet verder dan de betaling van NLG 25.000,- (ex BTW). Zij zal tot nakoming van deze verplichting worden veroordeeld, aangezien het beroep van [klant] op ontbinding van de overeenkomsten haar moet worden ontzegd. Immers zowel voor de periode vóór 2000 als voor de periode daarna is geen deugdelijke ingebrekestelling uitgegaan. Daarbij geldt, dat er geen sprake is van de uitzonderingen op deze eis, zoals die worden gesteld in art. 6:265 lid 2 BW.

Kosten

7.1 Beide partijen worden gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, zodat er grond is voor een verdeling van de proceskosten in voege als na te melden.

7.2 De buitengerechtelijke kosten en de kosten van de raadslieden van partijen dienen de partijen ieder voor eigen rekening te nemen.

7.3 De kosten van deze arbitrage worden gesteld op EURO 3.680,- (ex BTW) aan honorarium voor de arbiter en op EURO 1.395,- (ex BTW) aan administratiekosten, benevens EURO 600,- (ex BTW) aan registratiekosten van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering. Het totaal van deze bedragen ad EURO 5.675,- (ex BTW) dient te worden overgemaakt op de rekening van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering te Wassenaar. Het bedrag dat reeds door partijen ter zake bij voornoemde Stichting in depot is gestort zal op de verschuldigde arbitragekosten in mindering worden gebracht.

7.4 De betaalde registratiekosten voor elk der partijen ad EURO 300,- (ex BTW) dienen partijen ieder zelf te dragen. Voor de betaling van de overige kosten van deze arbitrage geldt, dat het redelijk is te achten dat de partijen ieder de helft voor haar rekening neemt, dat wil zeggen dat iedere partij EURO 2.537,50 (ex BTW) op de bovengenoemde rekening dient over te maken.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande komt de arbiter tot de volgende uitspraak:

RECHTDOENDE ALS GOEDE MAN NAAR BILLIJKHEID:

Zo in conventie als in reconventie:

Veroordeelt [klant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [leverancier] te betalen een bedrag van NLG 39.236,41 (zegge: negenendertig duizend tweehonderdzesendertig gulden en eenenveertig cent) (incl. BTW) met de wettelijke rente daarover van 2 augustus 2001 tot aan de dag der voldoening.

Veroordelen [leverancier] en [klant] ieder tot betaling van de helft van de kosten van deze arbitrage tot en met de deponering van dit vonnis in totaal vastgesteld op EURO 3.680,- (ex BTW) aan honorarium en verschotten van de arbiter en EURO 1.395,- (ex BTW) voor de administratiekosten alsmede EURO 600,- (ex BTW) aan registratiekosten van de Stichting Geschillenoplossing Automatisering. Verstaat dat deze kosten met de door partijen bij de Stichting Geschillenoplossing Automatisering in depot gestorte bedragen zullen worden verrekend.

Compenseert de overige kosten welke verband houden met deze procedure des dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen te ‘s-Gravenhage op 24 oktober 2002.

[arbiter]